Het verhaal van deze plek
Van hoog land naar eiland
Wieringen lijkt tegenwoordig op een gewone uitstulping van de Noord-Hollandse kust. Wegen verbinden Hippolytushoef, Westerland, Stroe, Oosterland en Den Oever met de omliggende polders en via de Afsluitdijk met Friesland. Nergens is een overtocht nodig. Toch was dit hoger gelegen land ongeveer acht eeuwen lang een afzonderlijk eiland. Het land zelf bestaat nog, maar veel van het water dat zijn grenzen bepaalde is verdwenen of van karakter veranderd.
De kern van Wieringen bestaat uit keileem en zand die tijdens een ijstijd door landijs werden opgestuwd. Daardoor ontstond een glooiend terrein dat sterk afwijkt van de vlakke veen- en kleigebieden eromheen. Wegen volgden de hogere ruggen en bogen om laagten heen. Boerderijen en buurtschappen kwamen verspreid op veilige gronden te liggen. Die oude ondergrond verklaart waarom Wieringen nog altijd heuvelachtiger en onregelmatiger oogt dan het omliggende polderland.
Wieringen was niet altijd een eiland. Rond de elfde eeuw verdwenen grote delen van het omliggende veen door erosie en stormvloeden. Watergeulen verbreedden zich en het hogere land raakte geïsoleerd. Aan de noordzijde lag de Waddenzee, aan de zuidkant de Zuiderzee en in het westen vormde het Amsteldiep een scheiding met de Noord-Hollandse kust. Wat als een verhoging in een groter veenlandschap was begonnen, werd een eiland.
Leven met de zee
Het water bepaalde vervolgens het dagelijks leven. Bewoners hielden vee op de hogere gronden, bewerkten kleine akkers en zochten een deel van hun bestaan op zee. Visserij en scheepvaart verbonden Wieringen met andere eilanden, kustplaatsen en handelsroutes. Den Oever ontwikkelde zich aan de oostzijde als havenplaats. Langs de kwetsbare zuidkust werden dijken aangelegd om lager land tegen de Zuiderzee te beschermen.
Een bijzonder onderdeel daarvan was de Wierdijk. Aan de zeezijde werden dikke pakketten gedroogd en samengeperst zeegras tegen een aarden dijklichaam geplaatst. Houten palen hielden het materiaal op zijn plaats. De dijk markeerde niet alleen de grens tussen land en water, maar ook de rand van de bewoonbare eilandwereld. Buiten de waterkering lagen slikken, ondiepten en open water; erachter lagen grasland, wegen en boerderijen.
De eilandbewoners leefden niet volledig afgesloten. Veerboten, vissersschepen en vrachtschuiten onderhielden verbindingen met het vasteland en andere plaatsen rond de Zuiderzee. Toch bleef iedere reis afhankelijk van water, wind en getij. Goederen, vee en reizigers moesten worden overgezet. De zee was tegelijk verkeersweg, werkterrein en grens.
De eerste vaste verbinding
Aan het begin van de twintigste eeuw werd Wieringen het vertrekpunt van een waterstaatkundige verandering die het hele Zuiderzeegebied zou herscheppen. Na de Zuiderzeevloed van 1916 werd in 1918 de Zuiderzeewet aangenomen. Voordat de grote Afsluitdijk kon worden aangelegd, bouwde men tussen Noord-Holland en Wieringen eerst de Amsteldiepdijk. Deze ongeveer tweeënhalve kilometer lange dijk diende als voorproef. Ingenieurs deden er ervaring op met technieken en materialen die later op grotere schaal werden toegepast.
Op 31 juli 1924 was de verbinding gereed. Wieringen was voortaan zonder boot bereikbaar en verloor daarmee zijn formele eilandpositie. De verandering was op dat moment nog niet aan alle kanten voltooid. Aan de zuidkant lag nog steeds de Wieringermeer en aan de oostzijde begon de Zuiderzee. Toch was de eerste watergrens gesloten en werd het eiland aan één zijde onderdeel van het vasteland.
Wieringermeer en Afsluitdijk
Daarna volgden de ingrepen elkaar snel op. Vanaf 1927 werd de Wieringermeer bedijkt en drooggemalen. In 1930 viel ten zuiden en zuidoosten van Wieringen een uitgestrekte zeebodem droog. Rechte wegen, grote landbouwkavels, sloten en nieuwe dorpen vervingen het water. Waar vanaf Wieringen eeuwenlang over de Zuiderzee was uitgekeken, lag plotseling een vlak en ontworpen landschap.
Tegelijkertijd werd bij Den Oever aan de Afsluitdijk gewerkt. Op 28 mei 1932 werd het laatste gat gesloten. De Zuiderzee veranderde daarna in het IJsselmeer en Wieringen werd het westelijke landhoofd van een vaste verbinding met Friesland. Binnen minder dan tien jaar veranderde een eiland dat eeuwenlang door water was gevormd in een schakel tussen oud land, nieuwe polder en een nationale verkeersroute.
Niet alleen de geografische vorm veranderde. De oude oriëntatie op visserij en scheepvaart verloor terrein. Het afgesloten water werd langzaam zoet en nieuwe economische mogelijkheden trokken arbeiders en bewoners van elders aan. Wegen maakten dagelijks verkeer over land vanzelfsprekend. De overgang van eiland naar vasteland betekende daardoor ook het verdwijnen van een afzonderlijke leefwereld.
Waar het eiland nog zichtbaar is
Toch werd Wieringen niet gelijk aan zijn omgeving. Wie vanuit de Wieringermeer het voormalige eiland oprijdt, merkt dat de strakke lijnen van de polder plaatsmaken voor hoogteverschillen, bochten en onregelmatige kavels. Oude dorpen liggen niet op een vooraf getekend raster, maar op gronden die door bodem en water werden bepaald. Houtwallen, glooiingen, oude boerderijen en smalle wegen houden het vroegere eilandlandschap herkenbaar.
Bij Westerland is het verschil bijzonder duidelijk. Vanaf het hoge terrein kijkt men over de hellingen van het oude eiland naar het vlakke nieuwe land. De grens is geen verlaten kustlijn met schelpen of havenpalen meer. Zij bestaat uit een verandering in hoogte, verkaveling en schaal. Aan de ene kant ligt een landschap dat in eeuwen groeide; aan de andere kant een polder die in enkele jaren werd ontworpen en aangelegd.
De verdwenen eilandwereld is daardoor niet aan één ruïne of monument gebonden. Zij ligt verspreid in de vorm van het land. Kronkelwegen volgen oude ruggen, de Wierdijk herinnert aan een vroegere watergrens en Den Oever bewaart zijn positie als haven aan de rand van open water. De Amsteldiepdijk, de Wieringermeer en de Afsluitdijk tonen tegelijk hoe die wereld werd afgesloten en ingepast.
Kijk vanaf Westerland niet alleen naar de dorpen en boerderijen, maar vooral naar de overgang in het landschap. Stel je ten zuiden van de hoogte geen akkers en rechte wegen voor, maar water tot aan de horizon. Dan wordt zichtbaar wat hier verdween: niet het land Wieringen, maar de ruimte eromheen die het eeuwenlang tot eiland maakte.