Stil eropuit
Nederland Onder Je Voeten
Terug naar kaart

Verdwenen plekken

Verdwenen buitenplaatsen van de Beemster

Langs de rechte wegen van de Beemster stonden in de zeventiende eeuw tientallen buitenplaatsen van Amsterdamse kooplieden en bestuurders. Achter sierlijke toegangshekken lagen herenhuizen, formele tuinen, boomgaarden, vijvers en lange lanen. Vooral de Volgerweg groeide uit tot een aaneenschakeling van zomerverblijven. In de achttiende en negentiende eeuw werden de meeste huizen gesloopt en veranderden hun tuinen weer in landbouwgrond. Oude hekpijlers, sloten, erfgrenzen en archeologische resten verraden nog waar deze verdwenen lusthoven lagen.

Verdwenen plekkenKastelen, buitenplaatsen & landgoederenBuitenplaatsLandschap
Historische foto uit 1959 van de boogbrug en hekpijlers van de verdwenen buitenplaats Volgerwijck
Siebe Jan Bouma fotografeerde in maart 1959 de zeventiende-eeuwse boogbrug en de met leeuwen bekroonde hekpijlers van Volgerwijck. Zij behoren tot de weinige bovengrondse resten van de vele buitenplaatsen die langs de Volgerweg lagen.Foto: Siebe Jan Bouma. Bron: Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0Wijzigingen: Geen wijzigingen.

Waarom hierheen?

De Volgerweg toont hoe een agrarische polder ooit tegelijk een zomerlandschap voor de stedelijke elite was. Tussen boerderijen en rechte kavels lagen huizen met namen als Volgerwijck, Zwaansvliet, Leeuwenplaats, Beemsterlust en Vredenburg. Van die rijkdom bleven vooral losse onderdelen over. Bij Volgerwijck staan nog een brug en hekpijlers met stenen leeuwen. Elders verraden brede sloten, oude oprijlanen en afwijkende perceelsvormen de plaats van verdwenen tuinen.

Wat zie je?

Langs de Volgerweg staan boerderijen, erven en lange rijen bomen binnen het strakke raster van de Beemster. Bij Volgerweg 36 liggen de oude bakstenen boogbrug en de met natuurstenen leeuwen bekroonde hekpijlers van Volgerwijck. Achter de toegang staat een latere herenboerderij die de oude naam voortzet. Langs de weg zijn plaatselijk brede watergangen, oude toegangslanen en erfgrenzen herkenbaar. De meeste herenhuizen en formele tuinen zijn volledig verdwenen. De resten kunnen vanaf de openbare weg worden bekeken; de erven zelf zijn niet vrij toegankelijk.

Waarom doet deze plek ertoe?

De verdwenen buitenplaatsen laten zien dat de Beemster niet alleen werd ingericht voor landbouw. Dezelfde kooplieden die in de droogmakerij investeerden gebruikten het nieuwe land ook voor ontspanning, representatie en maatschappelijk aanzien. Hun huizen voegden een tweede raster van tuinen, lanen en waterpartijen toe aan de polder. Toen de buitenplaatsen verdwenen bleef het beroemde verkavelingspatroon bestaan, maar verdween een belangrijk deel van het zeventiende-eeuwse gebruik van het landschap.

Het grotere verhaal

De Beemster viel in 1612 droog. Het voormalige meer veranderde in een nieuwe polder met rechte wegen, sloten en rechthoekige kavels. De grond kwam grotendeels in handen van kooplieden, bestuurders en andere vermogende investeerders uit Amsterdam en omliggende steden. Zij verdienden aan landbouw en pacht, maar zagen in het nieuwe land ook een geschikte plaats voor zomerverblijven.

De ligging maakte de Beemster aantrekkelijk. Vanuit Amsterdam en Purmerend was de polder over water en land bereikbaar. De lucht was schoner dan in de stad en het open landschap bood ruimte voor grote tuinen. De strakke verkaveling maakte het bovendien mogelijk om huis, boerderij, boomgaard en siertuin volgens één helder plan aan te leggen.

Al kort na de drooglegging verschenen de eerste buitenplaatsen. Rond het midden van de zeventiende eeuw telde de Beemster er tientallen. De meeste lagen in het zuidoostelijke deel van de polder en langs de Volgerweg. Deze zijde lag dicht bij Purmerend en was voor eigenaren uit Amsterdam relatief eenvoudig bereikbaar. De buitenhuizen stonden daardoor niet gelijkmatig over de droogmakerij verspreid, maar vormden plaatselijk lange reeksen.

De Volgerweg kreeg een naam als lustweg. Achter bruggen en toegangshekken lagen herenhuizen met symmetrische gevels. Lanen leidden naar het hoofdgebouw. Langs de tuinen stonden gesnoeide hagen en bomenrijen. Vijvers, grachten en waterkommen sloten aan op het slotenstelsel van de polder. Boomgaarden, moestuinen en boerderijen maakten de buitenplaatsen ook productief.

De eigenaren verbleven er vooral in de zomer. Hun vaste woning bleef meestal in de stad. In de Beemster ontvingen zij familie en zakenrelaties. Zij wandelden door de tuin, voeren over sloten en hielden toezicht op hun landerijen. De buitenplaats was tegelijk rustoord, investering en teken van maatschappelijke positie.

Een van de vroegste buitens was Leeuwenplaats. De hofstede werd tussen 1612 en 1622 gebouwd voor de uit Antwerpen afkomstige koopman Jan Fransz van der Straten. Archeologisch onderzoek bracht houten funderingen van opeenvolgende gebouwen, resten van bruggen, gedempte singelsloten en de zware fundering van een meer dan honderd meter lange tuinmuur aan het licht. Ook werden resten gevonden van een zogenoemd bedriegertje, een waterspel waarmee bezoekers konden worden verrast.

Vredenburg behoorde tot de grootste buitenplaatsen van de Beemster. De Amsterdamse koopman Frederik Alewijn liet in de jaren 1640 ontwerpen maken door Pieter Post en Philips Vingboons. Uiteindelijk werd het huis naar ontwerp van Post gebouwd. Huis en tuin vormden een zorgvuldig ontworpen geheel met lanen, water en formele vakken.

Ook Beemsterlust was een uitgebreid buiten. Uit een plattegrond uit 1771 blijkt dat het complex uit een hoofdgebouw, bijgebouwen, waterpartijen en geometrisch ingedeelde tuinen bestond. Aan het einde van de achttiende eeuw verloor het zijn functie. Rond het begin van de negentiende eeuw werd alleen nog gesproken over het land achter de voormalige buitenplaats. Het huis was toen verdwenen en het bouwmateriaal verkocht.

Dat lot trof vrijwel alle buitenplaatsen. Het bezit van een groot zomerhuis werd duur en de mode veranderde. Families verkochten hun land of verdeelden het onder erfgenamen. De landbouwgrond behield zijn waarde, terwijl huizen, koepels en tuinornamenten vooral onderhoud vergden. Sloop maakte het mogelijk om bakstenen, hout en natuursteen opnieuw te gebruiken.

De tuinen verdwenen vaak nog sneller dan de herinnering aan de huizen. Vijvers werden gedempt en lanen gerooid. Sierperken maakten plaats voor grasland, bouwland of boomgaarden. Boerderijen bleven staan of werden vernieuwd omdat zij economisch bruikbaar waren. Daardoor veranderde een reeks buitenplaatsen opnieuw in een overwegend agrarisch landschap.

Volgerwijck vormt een herkenbare uitzondering. Het oorspronkelijke buitenhuis verdween, maar de zeventiende-eeuwse boogbrug en de oude hekpijlers bleven behouden. De bakstenen pijlers worden bekroond door natuurstenen leeuwen. Achter het hek staat een latere herenboerderij die de oude naam voortzet. Het gebouw is niet het oorspronkelijke buitenhuis, maar bewaart wel de relatie tussen stedelijke rijkdom en landbouwbedrijf.

Oostelijk van Volgerwijck lag Zwaansvliet. Daar bleven lange tijd eveneens resten van een brug en hekpijlers staan. Zij verdwenen in de twintigste eeuw, waarmee opnieuw een van de laatste zichtbare onderdelen van de zeventiende-eeuwse reeks langs de Volgerweg verloren ging.

Onder de grond zijn meer resten bewaard dan aan het oppervlak. Archeologisch onderzoek kan funderingen, beschoeiingen, tuinmuren, afvalkuilen en gedempte waterpartijen terugvinden. Scherven van serviesgoed, flessen, tegels en bouwmateriaal tonen hoe de bewoners hun huizen inrichtten en welke producten zij gebruikten.

Het buitenplaatsenlandschap wordt ook zichtbaar in oude kaarten. Daarop liggen huizen en tuinen als kleine geometrische werelden binnen het grotere raster van de Beemster. Dezelfde rechte lijnen keren terug op verschillende schaalniveaus. De polder was in kavels verdeeld. Binnen die kavels lagen opnieuw rechte lanen, perken en waterlopen.

Langs de huidige Volgerweg overheersen boerderijen en open land. Toch wijkt het patroon op sommige plaatsen af. Een sloot is breder dan nodig voor gewone afwatering. Een oprijlaan loopt recht naar een erf. Oude bomen staan op regelmatige afstand. Een toegangshek lijkt te monumentaal voor de boerderij erachter. Zulke onderdelen behoren tot een verdwenen laag van het landschap.

Bij Volgerwijck is die laag het duidelijkst. Kijk vanaf de openbare weg naar de brug, het hek en de lange toegang. Stel achter de leeuwen geen enkele boerderij voor, maar een reeks huizen met tuinen die de Volgerweg tot een van de rijkste buitenwegen van Holland maakten. De gebouwen verdwenen vrijwel allemaal. Hun lijnen bleven verspreid in de polder achter.

Verder lezen