Stil eropuit
Nederland Onder Je Voeten
Terug naar kaart

Vreemde verhalen

De Duivelssteen van Texel

Onder de Zeven Pannenkoeken op de Hoge Berg zou een steen liggen die niet wilde eindigen. Wat boven de grond uitstak, was maar de kop; de rest zou diep onder Texel verdwijnen, onder de zee door, helemaal naar Engeland. De kei werd Engelsteen, Engelse Steen en uiteindelijk Duivelssteen: een verborgen raadsel onder een vriendelijk bosje.

Vreemde verhalenVolksverhalen & raadselsDuivelssteenVerhaalplek
De Zeven Pannenkoeken in het Doolhof op de Hoge Berg op Texel.
De Zeven Pannenkoeken in het Doolhof, waar volgens de overlevering de Engelse Steen of Engelsteen onder de heuvel verborgen lag.Foto: Roepers, via Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0Wijzigingen: Geen wijzigingen.

Waarom hierheen?

Loop naar het kleine bosje op de Hoge Berg en sta bij de Zeven Pannenkoeken, waar een bescheiden heuveltje een merkwaardig Texels verhaal bewaart. De steen zelf zie je niet, maar juist dat maakt de plek sterker: onder de treden, wortels en aarde begint het vermoeden van een kei die ooit geen einde leek te hebben.

Wat zie je?

Je ziet een klein bosje op de Hoge Berg, een heuveltje met treden, een bank en rondom het open Texelse cultuurlandschap met zijn oude hoogte, tuunwallen en zichtlijnen. Er steekt geen dreigende kei boven de grond uit. De ervaring zit juist in het bedekte: de zichtbare plek is rustig, maar het verhaal wijst naar iets dat onder de aarde verborgen zou liggen.

Waarom doet deze plek ertoe?

Deze plek laat zien hoe een echte landschappelijke bijzonderheid kan uitgroeien tot een vreemd verhaal over diepte, angst en verbeelding. De Hoge Berg hoort bij het oude ijstijdlandschap van Texel, maar rond de verborgen steen ontstond iets groters: een verhaal over een kei die onder het eiland door naar Engeland zou lopen en die, juist omdat niemand zijn einde zag, steeds geheimzinniger werd.

Het grotere verhaal

Op de Hoge Berg van Texel ligt een klein bosje dat er overdag bijna vriendelijk uitziet.

Bomen. Schaduw. Treden. Een bank. Het open eilandlandschap eromheen. Wind over de hoogte. Vogels in de takken. Niets lijkt te dreigen. Maar de namen maken de plek minder rustig. Doolhof. Zeven Pannenkoeken. Engelsteen. Engelse Steen. En wanneer het verhaal donkerder wordt: Duivelssteen.

Die namen liggen niet netjes naast elkaar. Ze schuiven over elkaar heen. Alsof niemand helemaal zeker wist wat hier onder de grond lag. Een onschuldige naam bovenop een vreemde. Een speelse naam bovenop een oudere angst. Zeven Pannenkoeken klinkt bijna vrolijk. Toch zou onder dat heuveltje iets liggen dat helemaal niet vrolijk is.

Wie er vandaag staat ziet geen kolossale kei uit de aarde steken. Geen zwarte rots. Geen altaar. Geen steen met krassen van klauwen of vuur. Juist dat maakt de plek ongemakkelijk. De steen laat zich niet zien. Hij ligt onder je voeten. Onder de treden. Onder het groen. Onder de rustige wandelplek.

Daar beneden lag volgens het verhaal een kei zonder einde.

Wat ooit boven de grond uitstak was maar de kop. De rest ging omlaag. Verder dan iemand kon graven. Dieper dan een gewone steen hoort te gaan. Onder Texel door. Onder de zee door. Helemaal naar Engeland. Een steenlichaam dat zich niets aantrok van water, afstand of kaarten. Alsof het eiland diep in de aarde nog vastzat aan een ander land.

Mensen wilden weten hoe diep hij ging.

Ze groeven. Rond de steen. Langs de steen. Steeds verder omlaag. Er moest toch een einde zijn. Elk ding heeft een grens. Een boom heeft wortels. Een huis heeft fundering. Een steen heeft een bodem. Maar zolang die bodem niet werd gevonden werd de kei groter. Misschien niet in de aarde. Wel in het hoofd van iedereen die het verhaal hoorde.

Een steen zonder einde blijft niet zomaar steen.

Hij krijgt iets koppigs. Iets dwars. Iets dat weigert zich te laten begrijpen. Eerst heet hij Engelsteen. Alsof er nog iets lichts aan hangt. Daarna Engelse Steen. Omdat de verbeelding hem onder de zee naar Engeland laat lopen. Maar bij zo’n diepte komt vanzelf schaduw. Een steen die niet opgeeft, niet te verplaatsen lijkt en toch in namen terugkomt trekt donkerder woorden aan.

Duivelssteen.

Niet omdat de duivel zich daar netjes liet betrappen. Niet omdat er één verhaal is waarin hij met hoeven op de Hoge Berg stond en de kei in de grond sloeg. Maar omdat mensen voor zulke stenen een naam zoeken die past bij hun ongemak. Een steen die te diep gaat, te oud voelt en niet wil eindigen hoort niet helemaal aan mensen toe.

Rond de Zeven Pannenkoeken werd de verborgen steen nog vreemder. De heuvel kreeg lagen, treden en een vorm die beklommen kon worden. Alsof de plek werd gladgestreken. Bedekt. Geschikt gemaakt voor wandelaars. Maar bedekken is niet hetzelfde als laten verdwijnen. Soms maakt een laag aarde een verhaal juist sterker. Wat zichtbaar is kun je aanwijzen. Wat verborgen is blijft groeien.

Er werd ook gefluisterd over een offersteen.

Een heidense steen op een hoge plek. Een harde plek in een oud eilandlandschap. Uitzicht over land en zee. Wind die nergens tegengehouden wordt. Je hoeft het niet zeker te weten om te begrijpen waarom zo’n gedachte blijft hangen. Grote stenen trekken oude woorden aan. Offer. Engel. Duivel. Engeland. Diepte. Elk woord probeert de kei kleiner te maken. Geen enkel woord krijgt hem helemaal in handen.

De Hoge Berg helpt mee.

Dit is geen gewoon stukje Texel. De hoogte voelt ouder dan de wegen, ouder dan de boerderijen en ouder dan de nette paden. Tuunwallen trekken lijnen door het land. Schapenboeten staan laag en donker in het veld. Drinkkolken liggen als ogen in het gras. Onder alles zit een ijstijdlandschap. Zware bodem die niet door mensen is bedacht. Wie daar loopt voelt makkelijker dat de grond iets bewaart.

In de achttiende eeuw werd de plek rond de top netter gemaakt. Een lusthof. Wandelpaden. Zichtlijnen. Een klein doolhof. Mensen maakten er een plek van om te wandelen, te kijken en te zitten. De woeste kei kreeg een beschaafde omgeving. Maar sommige verhalen trekken zich weinig aan van hagen en bankjes. Onder het aangelegde groen bleef dezelfde vraag liggen.

Wat rust daar beneden?

Misschien was het gewoon een grote zwerfkei. Achtergelaten door ijs en tijd. Eindig, zwaar en oud. Niet bodemloos. Misschien haalden latere onderzoekers de verbinding met Engeland uit het verhaal. Toch maakt dat de plek niet leeg. De echte steen kon ophouden. De vertelde steen niet.

Juist die vertelde steen ligt er nog.

Niet zichtbaar. Niet meetbaar vanaf het pad. Wel aanwezig zodra je naar de grond kijkt en je voorstelt dat onder het heuveltje iets begint dat niet stopt. De aarde wordt dan dunner. Het bosje stiller. De naam Zeven Pannenkoeken minder vrolijk. Het Doolhof minder onschuldig.

Want een doolhof hoeft niet altijd uit hagen te bestaan. Soms is het een wirwar van namen. Engelsteen. Engelse Steen. Duivelssteen. Elke naam wijst een andere kant op. Allemaal keren ze terug naar dezelfde plek. Een verborgen kei onder de Hoge Berg. Te groot voor wat mensen wilden weten.

Overdag hoor je vogels. Wind in de bladeren. Misschien stemmen van wandelaars. Iemand gaat op het bankje zitten. Een kind rent de treden op. Texel ligt open en helder om je heen. Maar blijf eens stilstaan bij de Zeven Pannenkoeken. Kijk niet naar het uitzicht. Kijk naar beneden.

Daar begint het verhaal.

Onder aarde, wortels en stilte. Onder een heuveltje dat kleiner lijkt dan wat het verbergt. Daar ligt niet alleen een steen. Daar ligt het idee van een steen zonder einde. Half engel. Half duivel. Vast in de oude bodem van Texel. Alsof hij nog altijd niet wil zeggen hoe diep hij werkelijk gaat.

Verder lezen