Stil eropuit
Nederland Onder Je Voeten
Terug naar kaart

Nederland en het water

Gemaal De Cruquius en de droogmaking van de Haarlemmermeer

Waar nu akkers, woonwijken, snelwegen en Schiphol liggen, klotste tot 1852 het water van het Haarlemmermeer. Het steeds groter wordende meer werd met drie reusachtige stoomgemalen leeggepompt. De Cruquius uit 1849 bleef met zijn ronde machinekamer, acht balansarmen en kolossale Cornish-stoommachine vrijwel intact. Het gemaal markeert de overgang van windbemaling naar industriële waterbouw.

Nederland en het waterWaterwerkenGemaalErfgoedplek
Gemaal De Cruquius met de ronde neogotische machinekamer, schoorsteen en uitstekende balansarmen
Het neogotische gemaal uit 1849. De acht gietijzeren balansarmen brachten de beweging van de centrale stoommachine over op de pompen.Foto: Bas, via Wikimedia Commons, CC BY 2.0Wijzigingen: Geen wijzigingen.

Waarom hierheen?

De Cruquius brengt machine, gebouw en polderlandschap op één plek samen. Buiten zie je de ronde neogotische machinekamer, de uitstekende balansarmen en het hogere water van de Ringvaart. Binnen staat de oorspronkelijke stoommachine waarmee de droogmaking werd uitgevoerd. Voor het interieur en de demonstratie is betaalde museumtoegang nodig. Een gids is niet noodzakelijk.

Wat zie je?

Aan de Ringvaart staat een rond bakstenen gemaal met spitsboogvensters, kantelen en een hoge schoorsteen. Acht gietijzeren balansarmen steken door de buitenmuur. In de machinekamer staat de verticale Cornish-machine met haar enorme cilinder onder de vloer. De stoomketels zijn verdwenen, maar de installatie kan tijdens demonstraties hydraulisch langzaam in beweging worden gebracht. Buiten is het hoogteverschil tussen Ringvaart en polder goed te herkennen.

Waarom doet deze plek ertoe?

Met De Cruquius, De Leeghwater en De Lijnden werd voor het eerst een Nederlands meer van deze omvang volledig met stoomkracht drooggelegd. De operatie leverde ongeveer achttienduizend hectare nieuw land op en veranderde blijvend de geografie tussen Amsterdam, Haarlem en Leiden. De Cruquius is het enige van de drie gemalen waarvan de oorspronkelijke machine grotendeels bewaard bleef.

Het grotere verhaal

Wie tegenwoordig door de Haarlemmermeer rijdt, beweegt zich over de bodem van een verdwenen meer. Wegen, akkers, woonplaatsen, bedrijventerreinen, spoorlijnen en Schiphol liggen op land dat pas halverwege de negentiende eeuw droogviel. Gemaal De Cruquius staat aan de westelijke rand van die polder, precies tussen het hogere water van de Ringvaart en de veel lager gelegen voormalige meerbodem.

Het Haarlemmermeer ontstond uit verschillende kleinere veenmeren tussen Haarlem, Amsterdam en Leiden. Door ontginning en ontwatering daalde het omliggende veen, terwijl stormen en golfslag oevers afbraken. De afzonderlijke plassen groeiden en vloeiden uiteindelijk samen tot één grote watermassa. Dorpen, akkers en wegen langs de randen kwamen steeds dichter bij het water te liggen of verdwenen geheel.

Het uitdijende meer kreeg de bijnaam Waterwolf. Die naam verwees naar de manier waarop het water telkens opnieuw stukken land leek te verslinden. Toch was het meer niet alleen een bedreiging. Er werd gevist en gevaren, en het water vormde een verbinding tussen plaatsen in de omgeving. De droogmaking betekende daarom niet eenvoudig de verwijdering van nutteloos water, maar een ingrijpende verandering van een bestaand landschap en gebruikssysteem.

Plannen om het Haarlemmermeer droog te leggen bestonden al in de zeventiende eeuw. De omvang van het meer maakte uitvoering echter buitengewoon kostbaar en technisch moeilijk. Bemaling met windkracht zou naar schatting ongeveer 160 molens hebben vereist. Bovendien moesten die molens grote hoeveelheden water over een aanzienlijk hoogteverschil verplaatsen en daarna het nieuwe polderland blijvend drooghouden.

In november en december 1836 joegen zware stormen het water richting Amsterdam en Leiden. Op verschillende plaatsen overstroomden lage gebieden en kwam het meer gevaarlijk dicht bij belangrijke steden. Koning Willem I besloot daarna dat de droogmaking niet langer kon worden uitgesteld. Het project werd een nationale onderneming waarin waterveiligheid, landwinning en moderne techniek samenkwamen.

Vanaf 1840 groeven duizenden arbeiders een Ringvaart van bijna 63 kilometer rond het meer. Met de uitgegraven grond werd daarnaast een ringdijk opgebouwd. De vaart moest het opgepompte water afvoeren, terwijl de dijk het omliggende land en het leeg te malen gebied van elkaar scheidde. Alleen al deze voorbereidende werken veranderden de randen van het meer in een langgerekte bouwplaats.

In 1843 koos men definitief voor stoomkracht. Dat was voor een droogmakerij van deze omvang een gedurfde beslissing. Drie grote gemalen moesten het meer leegpompen: De Leeghwater, De Lijnden en De Cruquius. Zij werden verspreid langs de ringvaart gebouwd, zodat het water vanuit verschillende delen van het meer kon worden uitgeslagen.

De Cruquius werd vanaf 1847 gebouwd naar ontwerp van ingenieur Jan Anne Beijerinck. De ronde vorm van het neogotische gebouw hing rechtstreeks samen met de opstelling van de machines. Acht pompen lagen als spaken rond één centrale stoommachine. De hoge vensters, kantelen en zware muren gaven het gemaal het uiterlijk van een kasteel, maar vrijwel ieder onderdeel van het gebouw diende de techniek binnenin.

De verticale Cornish-machine kreeg een cilinder met een diameter van 3,66 meter. De beweging van de centrale zuiger werd via acht enorme balansarmen overgebracht op pompen buiten het gebouw. Die hieven het water uit het steeds lager wordende meer naar de hoger gelegen Ringvaart. Stokers voedden de ketels en machinisten bewaakten de installatie. Het werk ging dag en nacht door, zolang onderhoud, brandstof en waterstand dat toelieten.

De Leeghwater begon in 1848 te pompen. De Lijnden en De Cruquius volgden in 1849. Naarmate het peil daalde, verscheen langzaam de bodem van het meer. In juli 1852 was de droogmaking voltooid. Waar kort daarvoor nog schepen voeren, lag nu een natte en vrijwel lege vlakte van ongeveer achttienduizend hectare.

Daarna begon een tweede grote onderneming: het bruikbaar maken van de nieuwe bodem. Vaarten, sloten, wegen en kavels verdeelden het land in een strak patroon. Hoofddorp en Nieuw-Vennep groeiden bij belangrijke kruisingen. Later verschenen boerderijen, woonwijken, snelwegen, bedrijventerreinen en Schiphol. De huidige drukte van de Haarlemmermeer rust daardoor letterlijk op de bodem van de vroegere Waterwolf.

De Cruquius bleef na de droogmaking nodig om regen- en kwelwater uit de lage polder af te voeren. In 1932 werd het gemaal buiten bedrijf gesteld. De ketels verdwenen, maar de centrale machine, de balansarmen en grote delen van de pompen bleven behouden. Dankzij vroege aandacht voor industrieel erfgoed werd het complex niet gesloopt en kreeg het een museale bestemming. Binnen maken de machine en de acht armen de schaal van de droogmaking tastbaar. Kijk buiten eerst naar het water in de Ringvaart en daarna naar het veel lager gelegen land. Dat hoogteverschil verklaart waarom de Haarlemmermeer niet alleen eenmaal moest worden leeggepompt, maar nog altijd voortdurend moet worden bemalen.

Verder lezen